ZOENBRIEF uit het jaar 1568

Hieronder treft u een "zoenbrief"(lees: verzoenbrief) aan. Het leuke is dat deze in de 16e eeuw is uitgesproken in de kerk van Rijswijk. Waarschijnlijk omdat de Pastoor een van de (scheids)rechters was. Het heeft bestrekking op een moord die in Wateringen heeft plaatsgevonden. De zoenbrief laat zien hoe men in die tijd met een misdrijf omging. De auteur/vertaler van het artikel is inmiddels overleden. Het komt uit een jaarverslag van de Historische Werkgroep Oud-Wateringen-Kwintsheul.

 

De Heer Van der Marel schreef voor en kort na de oorlog een reeks artikelen over de historie van het Westland. Een artikel met betrekking tot Wateringen laten we hieronder volgen.

De tekst van de heer Van der Marel is hier en daar wat aangepast en ingekort maar het verhaal is gelijk gebleven, de transcriptie is onverkort over genomen.

In het transportregister nr. 2 van Rijswijk Z.H. over de jaren 1562-1575 (Algemeen Rijksarchief, Rechterlijk archief Rijswijk, Inv. no. A IX folio 116v-17v) trof ik een z.g. “zoenbrief" aan, welke een beeld geeft van de wijze waarop in die dagen een geval van doodslag berecht werd. Op diefstal stond toen de galg, maar doodslag als gevolg van een twist werd op milde wijze bestraft, zoals uit deze brief blijkt. Hierbij vervulde ook de kerk een rol en hielp mee om een verzoening tussen de twistende partijen tot stand te brengen. De voorwaarden van zo’n verzoening werden vervat in een z.g. zoenbrief in tweevoud, waarvan elke partij een exemplaar werd uitgereikt, terwijl een afschrift in het gerechtelijk archief van Schout en Schepenen werd ingeschreven. Aan de laatste omstandigheid danken wij het, dat het stuk bewaard bleef en te onzer kennis kwam.

Uit deze zoenbrief blijkt, dat in deze strafzaak uitspraak gedaan werd in de kerk te Rijswijk door een vierschaar, bestaande uit de pastoor van Rijswijk, Heer Aelbert Harmanszoon, Adriaen Willemszoon, schout te Zoetermeer, Jan Corneliszoon, wonende te Wateringen en Joris Gerritszoon, wonende in Den Haag. Deze heren worden in het oude stuk de vier keersluijden 1) genoemd, of wel in de taal van onze tijd scheidsrechters. Deze titel had  niet te maken met keers of kaars, doch met keren of wenden.

De gedode man heette Jacob Ariaenszoon en degene, die hem had gedood was een zekere Pieter Gerritszoon. Jacob  Adriaensz. woonde vermoedelijk in of bij Wateringen, want uit de verzoeningsacte blijkt, dat zijn uitvaart plaats vond in de kerk aldaar. In de kerk te Rijswijk waren bij de uitspraak der scheidsrechters de vrienden en bloedverwanten van het slachtoffer en van de dader aanwezig en het was de taak dezer scheidsrechters, de twee elkaar uiteraard vijandig gezinde partijen, op christelijke wijze te verzoenen op een tiental voorwaarden, die in de acte worden opgesomd. Hierdoor werd 6 / 7 getracht bloedwraak te voorkomen, indachtig aan:

Ik heb een transcriptie gemaakt van dit nogal moeilijk te ontcijferen stuk en daarna gewaagd, het in onze hedendaagse taal over te zetten, zonder te veel van de oorspronkelijke tekst af te wijken. In de vier eeuwen, welke sinds deze doodslag zijn verlopen, heeft onze taal en de spelling daarvan zo vele wijzigingen ondergaan, dat het voor velen moeilijk zou zijn zo’n een oud stuk vlot te lezen en te begrijpen. Hier volgt dan de overgezette tekst van bedoelde verzoeningsacte.

door A.van der Marel†

Men zal geen kwaad met kwaad vergelden”.

,,ln het jaar onzes Heeren duizendvijfhonderdachtenzestig op St. Servaasdag op de 15e Mei omstreeks elf en twaalf uur voor de middag doen in de kerk te Rijswijk deze hieronder aangedui-de personen een uitspraak, te weten: Heer Aelbert Harmanszoon, pastoor en vice-cureyt te Rijswijk, Ariaen Wiljemszoon, schout te Zoetermeer, Jan Corneliszoon wonende te Wateringen en Joris Gerritszoon, wonende in Den Haag.

En zegden een minnelijke schikking inzake

Jacob Adriaenszoon, de gedode, wiens ziel God genadig zij, met al zijn vrienden en magen, zowel van vaders- als van moederskant als hulp en bijstand ter eenre en Pieter Gerritszoon, de dader, met zijn vrienden en magen zowel van vaders- als van moederswegen als hulp en bijstand ter andere zijde.

Alzo beide voornoemde partijen aan ons vier scheidsrechters voornoemd geheel en al onderworpen hebben alle zulke kwesties en geschillen, als zijlieden onderling gehad mogen hebben, verband houdende met de hierboven vermelde doodslag, begaan door de voornoemde Pieter Gerritsz. op de persoon van voornoemde Jacob Adriaensz. zaliger gedachtenis, beloven wij als mannen van eer te handhaven en uit te voeren al hetgeen door ons vier scheidsrechters voornoemd uitgesproken zal worden op een straf van zestig gouden realen, zodanig  te verdelen, dat een derde zou vervallen aan de Graaf van Holland, het andere derde deel ten behoeve van de armen en het derde derde deel zoals wij scheidsrechters of de meerderheid van ons dat zullen beslissen en gelasten. Geen boete wordt opgelegd dan bij meerderheid van stemmen van ons scheidsrechters voornoemd. En opdat nochtans deze verzoening altijd van Waarde zal blijven, zo is het bij de wil van 7 / 8 God en krachtens het vonnis van ons vier scheidsrechters, dat wij (aan alle de voornoemde partijen, zo wel van de levenden als van de doden, geboren bastaarden en getrouwden, zowel hier tegenwoordig als afwezigen en al degenen, die tot de bloedverwanten van beide zijden mochten behoren of bevonden worden en aan de goede vrienden) verklaren nu en ten eeuwige dage, dat de dader of de borgen zijnentwege zullen betalen:

ten eerste: een eerlijke maaltijd,

ten tweede: dat de dader op zich zal nemen de boete te betalen, die de landsheer of baljuw van Den Haag of van Leiden ter zake van de doodslag zal opleggen,

ten derde: zal nog de voornoemde dader betalen en bezorgen voor de ziel van het slachtoffer een eerlijke uitvaart in de kerk te Wateringen en betalen de kosten voor de priester, de doodgraver, het waslicht en andere dergelijke kosten, die tot de uitvaart behoren,

ten vierde: zal nog de voornoemde dader betalen en laten uitdelen voor de ziel van Jacob Adriaensz: een halve zak tarwe voor wittebrood aan de armen ter gelegenheid van de uitvaart,

ten vijfde: zal nog de voornoemde dader betalen en laten zetten op het altaar, waar het slachtoffer voor begraven ligt, een waskaars 2) van een pond was,

ten zesde: zal nog de voornoemde dader betalen voor de heilige kerk te Rijswijk Z.H., te Wateringen en aan de kerk te Zevenhuizen elk een paar toortsen, elk paar ter waarde van een carolus gulden.

ten zevende: zal nog de dader gehouden zijn op elke dag op zijn nuchtere maag te lezen vijf paternosters en vijf ave maria's tot lafenis van de ziel van Jacob Adriaenszoon zaliger.

ten achtste: zal nog de voornoemde dader van nu af aan nimmermeer in de zelfde molen mogen wonen. noch op de molenwerf, waar Jacob Adriaenszoon  zaliger is gedood. noch aldaar laten malen,

ten negende: zal nog de dader ten eeuwige dage de vrienden en magen van de gedode op wegen. straten. in huizen en herbergen of elders eerbiedig moeten bejegenen en ingeval Pieter Gerritszoon voornoemd in een herberg, taveerne of een andere gelegenheid mocht komen om iets te gebruiken en daar iemand van de betrekkingen van de overledene voornoemd mocht zitten, dan zal de voornoemde dader opstaan, zijn gelag betalen en heengaan. tenzij iemand van de betrekkingen, die zich daar bevonden, zou zeggen. dat hij kon blijven. In dat geval zal hij mogen blijven zitten zo lang hem dat belieft.

Ten tiende: zal nog de dader betalen twee verzoeningsacten waarvan elke partij er een zal ontvangen en voorts ter nako-ming van de andere punten, die hierboven zijn vermeld, zijn borgen zijn:

Adriaen Pieterszoon, Pieter Gerritszoon.; Cornelis Doeszoon, Pieter Gerrits zwager: IJsbrant Gerritszoon in Maasland en Cors Gerritszoon in Monster.

Hierop hebben de betrekkingen van weerszijden elkaar gelijktijdig de hand gereikt en ten slotte uit de grond hunner harten om God en Godes  wille elkander vergeven. Welke verzoening en uitspraak wij scheidsrechters voornoemd verklaren in alle opzichten van waarde te zullen houden en nakomen voor geborenen en ongeborenen, bastaarden en getrouwden. edelen en onedelen en nimmer iets daartegen te zullen doen of te doen  op welke manier ook. Alles wel verstaan en wanneer ooit op enig punt onzekerheid of bezwaren zouden ontstaan over deze onze uitspraak, dan zullen deze ter verklaring van ons vier scheidsrechters komen.

Alles zonder arglist, aldus uitgesproken in de kerk te Rijswijk. Ter oorkonde zijn hiervan gemaakt twee verzoeningsacten, eensluidend van woord tot woord, waarvan elk van de voornoemde partijen er een heeft. Beide voornoemde verzoeningsbrieven door ons als scheidsrechters ondertekend op datum en in het jaar als boven aangegeven:

Heer Aelbert Harmanszoon          Adriaen Willemszoon,

Jan Corneliszoon                      en Joris Gerritszoon"

Wat was het toen anders.

Wanneer wij, aan het slot van deze verzoeningsbrief gekomen met onze 20ste eeuwse ogen deze berechting bezien, dan doet dit alles vreemd aan. In plaats van een rechtszitting voor een rechtbank met een vonnis van gevangenisstraf gedurende kortere of langere duur wegens doodslag of zware lichamelijke mishandeling de dood ten gevolge hebbende, zijn wij hier getuige van een gans ander toneel.      In plaats van een rechtszaal met rechters in toga en baret, bevinden wij ons hier binnen de gewijde ruimte van de kerk te Rijswijk met de verzamelde vrienden en magen van dader en slachtoffer, terwijl een soort jury, bestaande uit een pastoor, een schout en twee andere heren, geen gevangenisstraf uitspreken tegen de dader van de doodslag, doch onder een reeks voorwaarden, waaraan de dader en zijn borgen moeten voldoen, alles in het werk stellen om een Christelijke verzoening tot stand te brengen tussen de twee partijen.

Het doet bijna humoristisch aan, dat de dader als eerste voorwaarde wordt opgelegd een “eerlijke” maaltijd te betalen. Een verzoeningsmaal dus, dat “eerlijk" moest zijn, hetgeen hier betekent in overeenstemming met zijn eer, dus eervol.

Uit de 2e voorwaarde blijkt, dat de dader de boete door de overheid (de baljuw van Den Haag of van Rijnland) opgelegd dient te betalen.

In de 3e voorwaarde, waarin de dader wordt verplicht de kosten van een “eerlijke" (= eervol) uitvaart in de kerk te Wateringen te betalen.

Uit de 4e voorwaarde weten wij, dat de armen, van Wateringen, bij de uitvaart niet werden vergeten en een halve zak tarwe ontvingen voor het bakken  van (50) witte broden.

De 5e voorwaarde, verplicht de dader wordt een waskaars  van een pond te betalen voor het altaar waarbij het slachtoffer begraven ligt.

In de 6e voorwaarde wordt de dader verplicht een paar toortsen ter waarde van één carolus gulden per paar te bekostigen voor de kerken te Rijswijk, Wateringen en Zevenhuizen. Waarom die in Zevenhuizen hierin betrokken wordt is niet duidelijk. Misschien, dat de ambachtsheren van Rijswijk. dit ook waren van Zevenhuizen. 10 / 11

Uit de 7e voorwaarde blijkt evenals uit de 4e, 5e en 6e duidelijk het kerkelijke karakter van deze rechtspraak. In deze voorwaarde wordt de dader verplicht dagelijks, zijn leven lang, op zijn nuchtere maag 5 paternosters en 5 ave maria's te bidden voor de zielerust van zijn slachtoffer en hij dus altijd aan zijn wandaad werd herinnerd. Of h ij dit volgehouden heeft in die dagen van de opkomende hervorming is twijfelachtig.

Uit de 8ste voorwaarde vernemen wij, dat de doodslag gepleegd was in de korenmolen of op de molenwerf. Hij mocht daarin nimmer meer wonen noch op de molenwerf, waaruit valt te concluderen, dat de dader molenaar was, vermoedelijk in Wateringen, omdat aldaar het slachtoffer begraven werd.

De 9e voorwaarde is heel merkwaardig, hier wordt de dader verplicht zich ten eeuwige dage behoorlijk te gedragen tegenover de vrienden en magen van het slachtoffer, waar hij deze ook mocht ontmoeten, terwijl hij zich uit een herberg e.d. moet verwijderen wanneer zich daar iemand van de betrekkingen van de dode mocht bevinden, tenzij deze hem toestond te blijven. Men wilde herhaling van het gebeurde vermijden door het samenzijn te verbieden op deze risico plaatsen.

De 10e voorwaarde, waarin gezegd wordt, dat de dader de kosten der 2 zoenbrieven moet betalen doet denken aan onze hedendaagse civiele procedures, waarin de verliezende partij wordt verplicht de kosten van het proces te betalen.

Merkwaardig is ook wat daarna volgt in het stuk, n.l. dat de twee partijen elkaar daarop de hand reikten en elkaar vergiffenis schonken uit de grond huns harten en omdat God dat wilde. Daarvoor zal toch heel wat godsdienstig gevoel en zelfbeheersing nodig zijn geweest. Daarna volgde dus de verzoeningsmaaltijd op kosten van de dader.

Toch blijkt uit de 9e voorwaarde, dat de scheidsrechters geen onbeperkt vertrouwen hadden in de toekomstige gedragingen van de verzoenden en voor alle zekerheid deze voorwaarde in het leven 11 / 12 riepen om nieuwe conflicten onder invloed van sterke drank te voorkomen.

Daar het mogelijk was dat hij deze verplichtingen niet kon of wilde nakomen stelde zij een viertal borgen aan op wie verhaal mogelijk was.

Ten slotte voorzag de verzoeningsacte nog in gevallen van twijfel of onzekerheid over de uitleg van de voorwaarden door te kennen te geven dat de beslissing over de uitleg daarvan bij de vier scheidrechters berustte.

Ondanks de ons zonderling aandoende rechtspraak betreffende deze doodslag uit het aanvangsjaar van onze tachtigjarige oorlog tegen Spanje. kan men zich niet onttrekken aan de indruk van de hoge ernst en de goede bedoelingen daarvan en van het ongetwijfeld hoge niveau waarop deze  semi-kerkelijke rechtspraak stond.

1) Uit Middelnederlandsch Woordenboek van Verwijs en Verdam(1899). Keersman (kersman), znw. (keersliede, -lude); ook keersmannen. Scheidsman, scheidsrechter. Van keren of hem keren in of aan enen (z.ald), zich tot iemand wenden, om van hem een uitspraak te horen; aan iemands uitspraak onderwerpen.

2)Volgens “Het Roomsche Kerkgebouw” door M.C. Nieuwbarn  (1908) blz 65 wijst het reine waskaarslicht in de kerk op Hem, die was neergedaald “om te verlichten allen welke in de duisternissen des doods waren gezeten”, op Christus zelven dus, waardoor een eerbiedige erkenning en huldiging (het immer brandende, het eeuwige licht) aan de Zaligmaker wordt toegebracht.

3)Hier onder blijkens de namen- een zoon en zwager van de dader. (Noot van de redactie)